inleiding

Zo’n vijftig jaar nadat in de Nederlanden een opstand was uitgebroken tegen het centrale gezag van de Spaanse koning Filips II, en zo’n dertig jaar nadat hieruit in het noorden een onafhankelijke staat was ontstaan, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, beleefde die staat zijn eerste ernstige interne crisis. Het ging hierbij om fundamentele zaken die de aard en wezen van het land betroffen. De uitkomst van de crisis zorgde er voor dat de jonge staat volwassen en rijper was dan voorheen en duidelijker wist waar de toekomst lag.

Lang had de onontkoombare strijd tegen ‘Spanje’ ervoor gezorgd dat de Nederlandse gewesten als eenheid konden optreden. Het gezamenlijk belang was zo groot dat allerlei verschillen op de achtergrond bleven. Maar dat veranderde nadat de militaire dreiging minder werd en zeker toen de Republiek en de koning van Spanje in 1609 een bestand sloten dat volgens afspraak 12 jaar zou duren. Interne, in feite al lang bestaande tegenstellingen kregen hierdoor de ruimte.

De kwesties waar het om ging waren buitengewoon essentieel. Het ging om het karakter van de officiële Gereformeerde Kerk en meer nog, van de officiële godsdienst, om de relatie hiervan tot andere geloofsovertuigingen, om de verhouding tussen Kerk en Staat en tot slot ook nog eens om het wezen van de Staat zelf. De crisis kon hierom niet anders dan de samenleving direct raken en beroeren – en dat uitte zich onder meer in talrijke pamfletten, prenten en penningen die de ene of de andere kant van de zaak belichtten of ondersteunden.De calvinistische variant van het protestantisme was een van de drijvende krachten achter de Nederlandse Opstand.

Vooral in de Zuidelijke Nederlanden had het calvinisme zich in de jaren na 1550 tot een krachtige én militante stroming ontwikkeld. Juist die streken waren na 1580 weer in Spaanse handen geraakt. Veel radicale calvinisten vluchtten naar de nog immer vrije noordelijke gewesten. Ook hier waren de ideeën van de hervormer Calvijn aangeslagen, maar doordat de overheid er door de omstandigheden minder rigide tegenover kon staan, was het calvinisme ontdaan van extremere trekken. In het noorden, en vooral in het sleutelgewest Holland, namen de bestuurders een pragmatische houding in. Niemand werd gedwongen zich tot de nieuwe godsdienst te bekeren, zodat de strijd tegen Spanje onder de bevolking de breedste steun kon krijgen en, ook belangrijk, de handel het best kon bloeien. ‘Echte’, veelal Zuid-Nederlandse calvinisten streefden echter een volkomen calvinistische maatschappij na, zonder ruimte voor andersdenkenden. Zij wilden om die reden de staat in hun greep krijgen, terwijl veel bestuurders juist de kerk in toom wilden houden.

In religieus opzicht kwam de tegenstelling naar buiten in een conflict over de predestinatie, een centraal punt in de calvinistische geloofsleer: God had bij voorbaat bepaald wie wel en wie niet naar de hemel ging; wat iemand deed in het aardse leven had hier geen invloed op. De Leidse hoogleraar Arminius betoogde in 1604 openlijk dat leven, handelen en geloven van elk individu – zijn vrije wil – ook konden bepalen of de hemel werd bereikt. Hij vond zijn collega Gomarus als zijn felste opponent tegenover hem. De Arminianen maakten in 1610 hun standpunt in een zogenaamde remonstrantie publiek, en worden sindsdien meestal als remonstranten aangeduid, en ook wel als de rekkelijken. De Gomaristen heten sindsdien contra-remonstranten en staan als de preciezen bekend. Door de stap van de Arminianen ging het conflict zich in het publieke domein afspelen, niet langer alleen binnen kerk en universiteit. Hierdoor begon de overheid zich er noodgedwongen actief mee te bemoeien. De Gomaristen keerden zich vervolgens principieel tegen elke invloed van de wereldlijke overheid in kerkelijke kwesties. De kwestie raakte sindsndien niet langer alleen de kern van de calvinistische kerk, maar ook het hart van de staat.

Een tweede wezenlijk vraagstuk raakte hier allengs mee verbonden: was de Republiek een verbond van in feite onafhankelijke staten (de gewesten) of vormde de Republiek allereerst een eenheid waarbinnen de gewesten beperkte vrijheden hadden. Dit punt was onder meer zo essentieel omdat de vrijheid en de privileges van de afzonderlijke gewesten één van de voornaamste gronden was waarop de opstand tegen het wettige gezag van Filips II was gestoeld. Het belangrijkste en ook rijkste gewest Holland koos voor het principe van de eigen onafhankelijkheid. Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt droeg als machtigste Hollandse politicus deze visie met veel gezag uit. Maar de andere zes gewesten keerden zich hiertegen en hetzelfde gold voor de stadhouder, prins Maurits van Oranje. Maurits’ machtsbasis lag als aanvoerder van leger en vloot van de Republiek juist in de eenheid van de gewesten.

Vanaf 1616 ging hij actief in tegen de politiek van Oldenbarnevelt en gebruikte hij de macht die hij officieel bezat om overal hem welgevallige stadsbestuurders te benoemen en om buiten hem om door de steden aangestelde soldaten – ‘waardgelders’ – te ontslaan. Oldenbarnevelt, wiens politiek in de jaren rond 1600 bepalend was geweest voor het succes van de jonge Republiek, delfde met Holland het onderspit. Het conflict bereikte een dieptepunt, en in veel opzichten ook zijn eindpunt, met de onthoofding van de oude staatsman – toen 71 – op 13 mei 1619 op beschuldiging van niets minder dan landverraad.

Ook in kerkelijk Nederland werd inmiddels orde op zaken gesteld. In november 1618 hadden de door Maurits beheerste Staten-Generaal als het hoogste gezag in de Republiek, een synode bijeengeroepen. Deze vergadering nam in april 1619 een aantal uiterst belangrijke besluiten over de Nederlandse Kerk, waarbij alle Arminiaanse denkbeelden verworpen werden.

Zo werd in 1619 zowel de eenheid van de jonge Republiek als de eenheid van de Nationale Gereformeerde Kerk uiteindelijk bevestigd. De steun van de overheid was hierbij cruciaal geweest. Diezelfde overheid zorgde er vervolgens voor haar greep op de Kerk te handhaven.
Pragmatisme en gematigdheid bleven ondanks de voorbije gebeurtenissen bij de bestuurders de bovenhand voeren. Niet alleen de Kerk moest zich hieraan aanpassen, ook Maurits van Oranje. Ondanks zijn overwinning op Oldenbarnevelt en zijn aanhangers – onder wie Hugo de Groot – bleef de Republiek een statenbond van samenwerkende gewesten, zonder als overal elders een autoritair vorst.
Burgers bepaalden ook na 1619 wat er in Nederland gebeurde.

 

Comments are closed.