|
1. prent, 1619
Allegorie op de welstand van de Republiek in 1619

2. prent, 1618
Den Arminiaenschen Dreck-waghen Geheel Naer het leven afghebeelt ghelijck de
Letters binnen uytwijsen

3. pamflet, 1619
Knuttel 2897

4. object, 1600
Beulszwaard waarmee Oldenbarnevelt werd onthoofd

|
Zo'n vijftig jaar nadat in de Nederlanden een opstand was
uitgebroken tegen het centrale gezag van de Spaanse koning
Filips II, en zo'n dertig jaar nadat hieruit in het noorden
een onafhankelijke staat was ontstaan, de Republiek der
Zeven Verenigde Nederlanden, beleefde die staat zijn eerste
ernstige interne crisis. Het ging hierbij om fundamentele
zaken die de aard en wezen van het land betroffen. De uitkomst
van de crisis zorgde er voor dat de jonge staat volwassen
en rijper was dan voorheen en duidelijker wist waar de toekomst
lag.
Lang had de onontkoombare strijd tegen 'Spanje' ervoor gezorgd
dat de Nederlandse gewesten als eenheid konden optreden.
Het gezamenlijk belang was zo groot dat allerlei verschillen
op de achtergrond bleven. Maar dat veranderde nadat de militaire
dreiging minder werd en zeker toen de Republiek en de koning
van Spanje in 1609 een bestand sloten dat volgens afspraak
12 jaar zou duren. Interne, in feite al lang bestaande tegenstellingen
kregen hierdoor de ruimte.
De kwesties waar het om ging waren buitengewoon essentieel.
Het ging om het karakter van de officiële Gereformeerde
Kerk en meer nog, van de officiële godsdienst, om de
relatie hiervan tot andere geloofsovertuigingen, om de verhouding
tussen Kerk en Staat en tot slot ook nog eens om het wezen
van de Staat zelf. De crisis kon hierom niet anders dan
de samenleving direct raken en beroeren - en dat uitte zich
onder meer in talrijke pamfletten, prenten en penningen
die de ene of de andere kant van de zaak belichtten of ondersteunden.
De calvinistische variant van het protestantisme was een
van de drijvende krachten achter de Nederlandse Opstand.
Vooral in de Zuidelijke Nederlanden had het calvinisme zich
in de jaren na 1550 tot een krachtige én militante
stroming ontwikkeld. Juist die streken waren na 1580 weer
in Spaanse handen geraakt. Veel radicale calvinisten vluchtten
naar de nog immer vrije noordelijke gewesten. Ook hier waren
de ideeën van de hervormer Calvijn aangeslagen, maar
doordat de overheid er door de omstandigheden minder rigide
tegenover kon staan, was het calvinisme ontdaan van extremere
trekken. In het noorden, en vooral in het sleutelgewest
Holland, namen de bestuurders een pragmatische houding in.
Niemand werd gedwongen zich tot de nieuwe godsdienst te
bekeren, zodat de strijd tegen Spanje onder de bevolking
de breedste steun kon krijgen en, ook belangrijk, de handel
het best kon bloeien. 'Echte', veelal Zuid-Nederlandse calvinisten
streefden echter een volkomen calvinistische maatschappij
na, zonder ruimte voor andersdenkenden. Zij wilden om die
reden de staat in hun greep krijgen, terwijl veel bestuurders
juist de kerk in toom wilden houden.
In religieus opzicht kwam de tegenstelling naar buiten in
een conflict over de predestinatie, een centraal punt in
de calvinistische geloofsleer: God had bij voorbaat bepaald
wie wel en wie niet naar de hemel ging; wat iemand deed
in het aardse leven had hier geen invloed op. De Leidse
hoogleraar Arminius betoogde in 1604 openlijk dat leven,
handelen en geloven van elk individu - zijn vrije wil -
ook konden bepalen of de hemel werd bereikt. Hij vond zijn
collega Gomarus als zijn felste opponent tegenover hem.
De Arminianen maakten in 1610 hun standpunt in een zogenaamde
remonstrantie publiek, en worden sindsdien meestal als remonstranten
aangeduid, en ook wel als de rekkelijken. De Gomaristen
heten sindsdien contra-remonstranten en staan als de preciezen
bekend. Door de stap van de Arminianen ging het conflict
zich in het publieke domein afspelen, niet langer alleen
binnen kerk en universiteit. Hierdoor begon de overheid
zich er noodgedwongen actief mee te bemoeien. De Gomaristen
keerden zich vervolgens principieel tegen elke invloed van
de wereldlijke overheid in kerkelijke kwesties. De kwestie
raakte sindsndien niet langer alleen de kern van de calvinistische
kerk, maar ook het hart van de staat.
Een tweede wezenlijk vraagstuk raakte hier allengs mee verbonden:
was de Republiek een verbond van in feite onafhankelijke
staten (de gewesten) of vormde de Republiek allereerst een
eenheid waarbinnen de gewesten beperkte vrijheden hadden.
Dit punt was onder meer zo essentieel omdat de vrijheid
en de privileges van de afzonderlijke gewesten één
van de voornaamste gronden was waarop de opstand tegen het
wettige gezag van Filips II was gestoeld. Het belangrijkste
en ook rijkste gewest Holland koos voor het principe van
de eigen onafhankelijkheid. Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt
droeg als machtigste Hollandse politicus deze visie met
veel gezag uit. Maar de andere zes gewesten keerden zich
hiertegen en hetzelfde gold voor de stadhouder, prins Maurits
van Oranje. Maurits' machtsbasis lag als aanvoerder van
leger en vloot van de Republiek juist in de eenheid van
de gewesten. Vanaf 1616 ging hij actief in tegen de politiek
van Oldenbarnevelt en gebruikte hij de macht die hij officieel
bezat om overal hem welgevallige stadsbestuurders te benoemen
en om buiten hem om door de steden aangestelde soldaten
- 'waardgelders' - te ontslaan. Oldenbarnevelt, wiens politiek
in de jaren rond 1600 bepalend was geweest voor het succes
van de jonge Republiek, delfde met Holland het onderspit.
Het conflict bereikte een dieptepunt, en in veel opzichten
ook zijn eindpunt, met de onthoofding van de oude staatsman
- toen 71 - op 13 mei 1619 op beschuldiging van niets minder
dan landverraad.
Ook in kerkelijk Nederland werd inmiddels orde op zaken
gesteld. In november 1618 hadden de door Maurits beheerste
Staten-Generaal als het hoogste gezag in de Republiek, een
synode bijeengeroepen. Deze vergadering nam in april 1619
een aantal uiterst belangrijke besluiten over de Nederlandse
Kerk, waarbij alle Arminiaanse denkbeelden verworpen werden.
Zo werd in 1619 zowel de eenheid van de jonge Republiek
als de eenheid van de Nationale Gereformeerde Kerk uiteindelijk
bevestigd. De steun van de overheid was hierbij cruciaal
geweest. Diezelfde overheid zorgde er vervolgens voor haar
greep op de Kerk te handhaven.
Pragmatisme en gematigdheid bleven ondanks de voorbije gebeurtenissen
bij de bestuurders de bovenhand voeren. Niet alleen de Kerk
moest zich hieraan aanpassen, ook Maurits van Oranje. Ondanks
zijn overwinning op Oldenbarnevelt en zijn aanhangers -
onder wie Hugo de Groot - bleef de Republiek een statenbond
van samenwerkende gewesten, zonder als overal elders een
autoritair vorst.
Burgers bepaalden ook na 1619 wat er in Nederland gebeurde.
|