1.
prent, 1672

Zinneprent ter ere van Willem III

2. beeldhouwwerk, 1650
Medaillonportret van Johan de Witt (1625-1672)
3. prent, 1674

Publikatie in Engeland van het uitbreken van de oorlog en het vertrek van de
ambassadeur Meerman

4. penning, 1672

Beleg van Groningen

5. schilderij, 1691

Het gevecht van Michiel Adriaensz de Ruyter tegen de hertog van York op de 'Royal
Prince' tijdens de zeeslag bij Solebay, 7 juni 1672: episode uit de Derde Engelse
Zeeoorlog (1672-74)
6. penning, 1672

Moord op de gebroeders de Witt

|
In 1672 hing de toekomst van de Republiek aan een zijden
draadje. Wat tijdens de langdurige strijd tegen Spanje alleen
in de beginjaren was gebeurd, leek opeens realiteit: het
hart van de staat - Holland - dreigde door de vijand te
worden veroverd. Dat deze dreiging toch werd afgewend, was
uiteindelijk meer geluk dan wijsheid.
Enkele jaren na het sluiten van de Vrede van Munster was
de rol van de stadhouder in de Republiek uitgespeeld. De
burgerij had in 1650 naar het leek definitief de macht in
handen genomen en Holland lukte het sindsdien zijn belangen
boven die van de andere gewesten te stellen. Voor velen
had de vroegere raadspensionaris Van Oldenbarnevelt toch
nog gelijk gekregen. Men sprak van de 'ware vrijheid' die
eindelijk was aangebroken, van een periode waarin de idealen
van de opstand eindelijk volledig konden worden ontplooid.
In 1648 was wel vrede met Spanje gesloten, maar andere vijanden
waren hiervoor in de plaats gekomen. Vooral Frankrijk en
Engeland zagen met lede ogen aan hoe machtig de Republiek
was geworden. Zij zagen in dat de kracht van de Republiek
tegelijkertijd haar zwakte was, Hollands achilleshiel: de
handel en de scheepvaart. De handel over zee had de Noordelijke
Nederlanden ongekende rijkdom gebracht, maar de afhankelijkheid
hiervan maakte het land tevens kwetsbaar. Er waren meer
landen die hun schepen de zee opstuurden om van elders rijkdommen
te halen, er waren ook letterlijk kapers op de kust. Er
woedde een concurrentieslag op zee, die de flexibel opererende
Republiek voorlopig leek te winnen. Het door Hugo de Groot
al in 1609 uitgewerkte principe van de vrije zee, open voor
iedereen, eigendom van geen enkele staat, werd nog meer
dan voorheen een leidend beginsel van de Republiek. Maar
dit ook om pragmatische redenen ingenomen standpunt werd
door veel andere landen allerminst gedeeld.
Al in 1651 nam Engeland concrete maatregelen om zijn handel
tegen die van Nederland te beschermen, wat uitliep op een
oorlog. Frankrijk volgde later, in 1664. Onder leiding van
Johan de Witt, als raadspensionaris veruit de machtigste
bestuurder van de Republiek, probeerde het land ondertussen
met een sterke vloot en een doordachte diplomatie zijn zaak
te verdedigen. Michiel de Ruyter kon als admiraal en vlootvoogd
uitgroeien tot een volksheld, terwijl De Witt tegelijkertijd
probeerde Frankrijk en Engeland tegen elkaar uit te spelen.
De Republiek aarzelde niet in te grijpen wanneer de handelsbelangen
en de vrije vaart op zee op het spel stonden, zoals Zweden
in 1658 ondervond, maar offensieve ambities had de Republiek
heel bewust niet. Er werd alleen oorlog gevoerd wanneer
haar handelsbelangen op het spel stonden.
Lange tijd ging het goed en werd het land almaar rijker
en welvarender, maar in 1672 liep alles spaak en leek de
machtige Republiek als een pudding in elkaar te zakken.
'Redeloos, radeloos, reddeloos', zo is de stemming in het
land indertijd op zijn kernachtigst geformuleerd, en 1672
staat sindsdien te boek als hét rampjaar. Wat gebeurde
er? In april hadden Frankrijk én Engeland, die zich
in hun anti-Nederlands gevoel hadden gevonden, de Republiek
de oorlog verklaard, samen met de bisschoppen van Munster
en Keulen, die beiden in Duitsland een groot gebied bestuurden.
Onder leiding van koning Lodewijk XIV trok het Franse leger
op 12 juni bij Lobith het land binnen. Doordat de aanval
van een onverwachte kant kwam - het oosten - en bovendien
leger en forticifaties jaren achtereen waren verwaarloosd
- de vloot werd veel belangrijker gevonden, in elk geval
door Holland -, brak de Nederlandse verdediging razendsnel.
Al op 21 juni viel de stad Utrecht in Franse handen. Nog
eerder dan de Fransen waren troepen van de twee Duitse bondgenoten
de grenzen overgestoken. Zij trokken naar het noorden op,
om uiteindelijk Groningen te belegeren. Ook op zee ontbrandde
in juni de strijd. Onder leiding van De Ruyter was op 7
juni de gecombineerde Engels-Franse vloot aangevallen. Dankzij
deze Slag bij Solebay werd een Engelse aanval afgewend en
kreeg bovendien het moreel een steuntje in de rug. Voorlopig
was dit maritieme succes echter slechts een lichtpuntje
in de duisternis. In Holland en elders in de Republiek heerste
inmiddels regelrechte paniek.
Voor de verdediging van het sleutelgewest Holland werd nu
een beproefd strijdmiddel ingezet: landerijen werden onder
water gezet, waardoor een verdedigingslinie ontstond, de
Hollandse Waterlinie - een keten van forten en versterkte
steden temidden van ondergelopen land. Maar veel vertrouwen
bestond hierin niet meer. De bestuurders leken het hoofd
te laten hangen. De chaos was groot en de leiding van de
staat en van de steden dreigde alle gezag te verliezen.
Op veel plaatsen riep de bevolking om de terugkeer van Oranje,
hierbij doelend op de 22-jarige zoon van Willem II, de in
1650 overleden laatste stadhouder. Hij moest het land zien
te redden.
De regering van Johan de Witt had er altijd naar gestreefd
de Oranjedynastie definitief buiten spel te zetten. In 1654
was het besluit genomen geen Oranje meer tot aanvoerder
van leger of vloot te benoemen, en in 1667 zelfs om het
stadhouderschap voor eeuwig af te schaffen. Eeuwig bleek
in dit geval maar vijf jaar te duren. Begin 1672 zag De
Witt zich gedwongen de jonge Willem III toch tot legeraanvoerder
te benoemen ten einde de buitenlandse dreiging het hoofd
te bieden. Na de succesvolle invallen van de vijand eiste
de bevolking dat de prins van Oranje ook stadhouder werd,
want De Witt en zijn anti-Oranjegezinde aanhangers kregen
de schuld van alle ellende. Op 2 juli zwichtten de Staten
van Zeeland als eerste voor deze eis, spoedig gevolgd door
alle andere gewesten. De volkswoede richtte zich ook tegen
De Witt in persoon. Samen met zijn broer Cornelis werd hij
op 20 augustus door een groep razende Hagenaars gelyncht.
Het lugubere voorval tekent de turbulente situatie waarin
het land terechtgekomen was.
Onder Willem III keerden de kansen. Dit kwam mede omdat
koning Lodewijk zijn hand overspeelde. Hij dacht de overwinning
op zak te hebben en stelde voor de overgave van de Republiek
extreem zware eisen. Tegelijkertijd maakte de nieuwe stadhouder
gebruik van de tegen de zittende regenten gerichte woede
door eigen aanhangers in de stedelijke besturen te benoemen.
Bovendien bleek de prins - in de traditie van zijn voorgangers
Maurits en Frederik Hendrik - een goed strateeg. Nog in
1672 zette hij een tegenaanval in. Groningen werd ontzet,
Maastricht heroverd. Nederland hernam het initiatief.
De Republiek was door het oog van de naald gekropen. Ten
koste van een ernstige crisis was het land behouden gebleven.
Veel van de elementen die in het conflict tussen Maurits
en Van Oldenbarnevelt een rol hadden gespeeld, wogen ook
nu zwaar: de Hollandse neiging zich belangrijker dan de
andere gewesten te voelen en de eigen belangen te stellen
boven de gemeenschappelijke, de wens een pure republiek
te vormen, zonder vorstelijke dimensie. Maar hoewel de Oranjepartij
nu weer de overhand had, werd net zomin als na 1619 de structuur
van de Republiek wezenlijk aangepast. De in ere herstelde
stadhouder bleef een dienaar van de Staten-Generaal en werd
geen vorst met eigen macht, en de Republiek bleef een bond
van in hoge mate zelfstandige gewesten en werd geen eenheidsstaat.
In 1674 sloot de Republiek vrede met Engeland, Munster en
Keulen, en in 1678 ook met Frankrijk. Het land had standgehouden,
maar wist nu wat beter waar de grenzen van haar macht lagen
en welke gevaren er konden dreigen.
|