|
1. prent, 1690
Portret van Willem III als koning van Engeland

2. prent, 1695

Introitus in urbem expugnatam. Blyde Intreede, na de overwinninge der stadt
3. penning, 1695

Bombardement van Brussel door de Fransen en herovering van Namen door Willem
III

4. prent, 1695

Zinneprent ter nagedachtenis aan Maria Stuart

|
Door de gebeurtenissen van 1672 was de Republiek meer dan
voorheen gedwongen een actieve rol te spelen binnen het
Europese machtsevenwicht. Het land kon zich niet langer
primair richten op zijn handelsbelangen en op een sterke
aanwezigheid op zee, en aan het landleger minder aandacht
besteden. De kosten van een staand leger en van een parate
vloot waren enorm, maar leken onvermijdelijk. Vooral Frankrijk
met zijn ambitieuze koning Lodewijk XIV bleef een constant
gevaar voor de stabiliteit van de Republiek. Het had al
langer geduurd om met dit land vrede te sluiten dan met
de andere tegenstanders uit 1672, en in die tijd had Frankrijk
een belangrijk deel van de Zuidelijke Nederlanden weten
te veroveren. Dat koninkrijk dreigde zo een directe buur
van de Republiek te worden. Door in 1678 vrede te sluiten
had de Republiek dat vooralsnog weten te voorkomen. Tegelijkertijd
zette die vrede bij anderen kwaad bloed. Enkele van Nederlands
belangrijke bondgenoten, zoals de keizer van Oostenrijk
en de koning van Spanje, voelden zich in de steek gelaten
- zij bleven wél met Frankrijk in oorlog. Ook Willem
III had in 1678 geen vrede willen sluiten, maar hij had
het hoofd moeten buigen toen met name Holland de geldkraan
dichtdraaide. De Hollandse wens tot vrede werd ook nu vooral
bepaald door de toenemende druk op de economie. De stadhouder
zag echter scherp in dat met een vrede de ambities van koning
Lodewijk niet verminderde. Lodewijk wilde nog steeds van
Frankrijk het machtigste land van Europa maken en hiertoe
de grenzen uitbreiden tot aan de Rijn.
Frankrijk had veel vijanden, maar slechts weinige waren
in staat effectief weerstand te bieden. Willem III bleek
wél in staat zich op het slagveld tegen hem staande
te houden en zag bovendien tevens in dat hij nooit alléén
tegen hem op kon trekken. Hier stond tegenover dat zijn
machtsbasis in de Republiek zwak was. De belangen van Holland
en dan vooral Amsterdam bleven de politiek bepalen. Maar
Willems positie veranderde in 1688 spectaculair. Sinds 1677
was de stadhouder getrouwd met Mary Stuart, nicht van de
koning van Engeland, en in 1685 werd haar vader als Jacobus
II gekroond tot koning. Jacobus was katholiek en nam verscheidene
maatregelen om het protestantse karakter van Engeland te
ondermijnen. Ook dreigde hij de zijde van Frankrijk te kiezen,
hetgeen het machtsevenwicht in Europa ernstig zou verstoren.
Op uitnodiging van enkele vooraanstaande Engelsen ondernam
de stadhouder hierom in november 1688 een expeditie naar
Engeland, die wonderwel slaagde. Hij wist, officieel namens
zijn vrouw, de macht in handen te krijgen en werd nu behalve
stadhouder in de Republiek ook koning van Engeland. Dat
gaf hem veel meer armslag om Lodewijk te bestrijden.
De 'staatsgreep' van Willem leidde nog diezelfde maand tot
een oorlogsverklaring van Frankrijk aan de Republiek. Een
halfjaar later sloten vrijwel alle vijanden van Lodewijk
zich vervolgens in een groot verbond aaneen, ook Spanje,
dat nog steeds het gezag voerde over de Zuidelijke Nederlanden.
Willem stond in feite aan het hoofd van deze anti-Franse
coalitie. De strijd speelde zich vooral in de Zuidelijke
Nederlanden en op zee af, en voor beide partijen met wisselend
succes. De kosten namen uiteraard opnieuw enorm toe, en
daarmee ook het verzet. Maar de Noordelijke Nederlanden
leden dan wel financieel veel schade, de Zuidelijke Nederlanden
moesten het directe oorlogsgeweld verdragen.
Zo ook in 1695, een oorlogsjaar dat in veel opzichten lijkt
op de jaren ervoor en erna, zij het dat de oorlogshandelingen
spectaculairder waren. Zo wist Willem III zij aan zij met
de Zuid-Nederlandse landvoogd Maximiliaan Emanuel van Beieren
in september de belangrijke vestingstad Namen te veroveren,
die drie jaar eerder door Lodewijk was ingenomen. Een paar
weken eerder hadden de Fransen trouwens op hun beurt de
Zuid-Nederlandse hoofdstad Brussel zwaar gebombardeerd,
waarbij onder meer de Grote Markt volkomen verwoest was.
In de laatste dagen van 1694 was Mary Stuart, de vrouw van
Willem III, gestorven. Zonder haar had hij nooit koning
van Engeland kunnen worden, zonder haar was nu zijn machtsbasis
aldaar lang zo sterk niet meer. Haar dood werd dan ook allerwegen
betreurd.
De oorlogsmoeheid nam in alle kampen ondertussen toe, vooral
omdat de krijgshandelingen handen vol geld kostten. Uiteindelijk
zou de oorlog na negen jaar in 1697 met de Vrede van Rijswijk
worden afgesloten. Lodewijk erkende hierbij Willem als koning
van Engeland en gaf alle veroveringen in de Zuidelijke Nederlanden
aan Spanje terug. Dat was ook in het belang van de Republiek,
want zo kon het zuiden als buffer blijven fungeren met Frankrijk.
In 1702 zou Willem III overlijden. Er was toen alweer een
nieuwe oorlog gaande, de Spaanse successieoorlog, die tot
1713 zou duren. De Zuidelijke Nederlanden stonden hierin
opnieuw centraal. Maar de invloed van het noorden, van de
Republiek, was lang niet meer zo groot als voorheen. Bovendien
hadden de Staten van Holland met vier van de andere gewesten
na Willems overlijden besloten geen nieuwe stadhouder te
benoemen. De Republiek kon nadien in Europa geen dominerende
rol meer spelen en trok zich steeds meer op zichzelf terug.
|